dinsdag 4 maart 2014

Shakespeare, Sonnet 30



When to the sessions of sweet silent thought
I summon up remembrance of things past,
I sigh the lack of many a thing I sought,
And with old woes new wail my dear time's waste:
Then can I drown an eye, unused to flow,
For precious friends hid in death's dateless night,
And weep afresh love's long since cancelled woe,
And moan the expense of many a vanished sight:
Then can I grieve at grievances foregone,
And heavily from woe to woe tell o'er
The sad account of fore-bemoaned moan,
Which I new pay as if not paid before.
   But if the while I think on thee, dear friend,
   All losses are restor'd and sorrows end.


Als bij de zittingen van stilzoete gedachten
Ik de herinnering oproep aan het verlee,
Zucht ’k om ’t gemis van veel waarnaar ik trachtte,
En spil mijn korte tijd nieuw klagend om oud wee.
Dan kan ’k een oog – het niet gewoon te stromen –
Verdrinken om een vriend heen in doods lange nacht,
En weer betreuren liefdes lang verjaarde dromen,
En nu verdwenen uitzichten bekreunen zacht.
Dan kan ik opraak’len wat eerder brak mij ’t harte,
En met bezwaard gemoed van leed tot leed
De droeve rekening natellen van eer beweende smarten,
Die ’k weer voldoe alsof ik haar nog nooit voldeed.
  Maar als ’k intussen denk aan u, gezelle mijn,
  Wordt elk verlies hersteld en eindigt alle pijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten