dinsdag 4 maart 2014

Shakespeare, Sonnet 18



Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimmed,
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course untrimmed:
But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow'st,
Nor shall death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st,
   So long as men can breathe, or eyes can see,
   So long lives this, and this gives life to thee.


Zal ’k u vergelijken met een zomerdag?
Gij zijt nog milder en meer puur:
Zie wat de wind met Meibloesems vermag,
En al te kort is ’s zomers pacht van duur.
Somtijds ook schijnt des hemels oog te fel,
En vaak vervaagt zijn gulden tint;
En ieder schoon vervalt van schoon soms wel,
Door grillen die in de natuur men vindt.
Uw eeuw’ge zomer zal blijven bestaan,
’t Bezit verliezen niet van ’t schoon u eigen;
Gij zult door geen vallei des Doods heengaan,
In eeuwig vers de tijden overstijgen.
  Zolang als ogen zien en mensen denken;
  Zolang leeft dit, dat leven u zal schenken

Geen opmerkingen:

Een reactie posten