dinsdag 4 maart 2014

Shakespeare, Winter



WINTER

When icicles hang by the wall,
    And Dick the shepherd blows his nail,
And Tom bears logs into the hall,
    And milk comes frozen home in pail,
When blood is nipp’d and ways be foul,
Then nightly sings the staring owl,
                Tu-whit;
Tu-who, a merry note,
While greasy Joan doth keel the pot.

When all aloud the wind doth blow,
    And coughing drowns the parson’s saw,
And birds sit brooding in the snow,
    And Marion’s nose looks red and raw,
When roasted crabs hiss in the bowl,
Then nightly sings the staring owl,
                Tu-whit;
Tu-who, a merry note,
While greasy Joan doth keel the pot.



 
WINTER

Als pegels hangen aan het dak,
  En Jan de herder warm zich slaat,
En Pieter buiten brandhout hakt,
  De melk stijf in de emmer staat,
Als ’t bloed koud is, de wegen vuil,
  Dan zingt des nachts de groot-oog uil:
                 ‘Oe-hi, oe-hoe’
                 Heel opgeruimd,
Nu vette Klaar de pot afschuimt.

Als dichtgevroren is de beek,
  En Anna’s neus rood is en schraal,
En ’t hoesten wekt je bij de preek,
  En appels sissen in de schaal,
Als door het woud de stormwind huilt,
  Dan zingt des nachts de groot-oog uil:
                  ‘Oe-hi, oe-hoe’
                  Heel opgeruimd,
Nu vette Klaar de pot afschuimt.



Naar: William Shakespeare, Love’s Labor’s Lost
 

Shakespeare, Lente

 Spring
 
When daisies pied and violets blue
   And lady-smocks all silver-white
And cuckoo-buds of yellow hue
   Do paint the meadows with delight,
The cuckoo then, on every tree,
Mocks married men; for thus sings he,
                         Cuckoo;
Cuckoo, cuckoo: Oh word of fear,
Unpleasing to a married ear!


When shepherds pipe on oaten straws,
   And merry larks are plowmen’s clocks,
When turtles tread, and rooks, and daws,
   And maidens bleach their summer smocks,
The cuckoo then, on every tree,
Mocks married men; for thus sings he,
                         Cuckoo;
Cuckoo, cuckoo: Oh word of fear,
Unpleasing to a married ear!

William Shakespeare (from Love's Labor's Lost





Lente

Als meizoentjes in ’t groen staan veel,
  En sneeuwklokjes nog nat van dauw,
En pinksterbloemen lang van steel
  De beemden vlekken, wit, geel, blauw,
De koekoek dan, in elke wei,
  Hoont huwelijkstrouw, want zo roept hij:
                   ‘Koekoek,
Koekoek, koekoek!’ O tergend woord,
Onprettig voor ’t getrouwde oor!

Als herders fluiten op het riet,
  En roeken zijn des ploegers klok,
Wanneer je kauw en tortel ziet,
  De maagd weer bleekt haar zomerrok,
De koekoek dan, in elke wei,
  Hoont huwelijkstrouw, want zo roept hij:
                    ‘Koekoek,
Koekoek, koekoek!’ O tergend woord,
Onprettig voor ’t getrouwde oor!



Shakespeare, Sonnet 30



When to the sessions of sweet silent thought
I summon up remembrance of things past,
I sigh the lack of many a thing I sought,
And with old woes new wail my dear time's waste:
Then can I drown an eye, unused to flow,
For precious friends hid in death's dateless night,
And weep afresh love's long since cancelled woe,
And moan the expense of many a vanished sight:
Then can I grieve at grievances foregone,
And heavily from woe to woe tell o'er
The sad account of fore-bemoaned moan,
Which I new pay as if not paid before.
   But if the while I think on thee, dear friend,
   All losses are restor'd and sorrows end.


Als bij de zittingen van stilzoete gedachten
Ik de herinnering oproep aan het verlee,
Zucht ’k om ’t gemis van veel waarnaar ik trachtte,
En spil mijn korte tijd nieuw klagend om oud wee.
Dan kan ’k een oog – het niet gewoon te stromen –
Verdrinken om een vriend heen in doods lange nacht,
En weer betreuren liefdes lang verjaarde dromen,
En nu verdwenen uitzichten bekreunen zacht.
Dan kan ik opraak’len wat eerder brak mij ’t harte,
En met bezwaard gemoed van leed tot leed
De droeve rekening natellen van eer beweende smarten,
Die ’k weer voldoe alsof ik haar nog nooit voldeed.
  Maar als ’k intussen denk aan u, gezelle mijn,
  Wordt elk verlies hersteld en eindigt alle pijn.

Shakespeare, Sonnet 66



Tired with all these, for restful death I cry,
As to behold desert a beggar born,
And needy nothing trimm'd in jollity,
And purest faith unhappily forsworn,
And gilded honour shamefully misplaced,
And maiden virtue rudely strumpeted,
And right perfection wrongfully disgraced,
And strength by limping sway disabled
And art made tongue-tied by authority,
And folly, doctor-like, controlling skill,
And simple truth miscalled simplicity,
And captive good attending captain ill:
   Tired with all these, from these would I be gone,
   Save that, to die, I leave my love alone.



Dit alles moe, wens ik de rust des doods,
Ziende verdienste gaan als bedelaar,
En loze leegheid opgedirkt en groots,
En zuiv’re trouw beschouwd als een bezwaar,
En purperdracht die vals’lijk fielten kleurt,
En maagdendeugd verpatst onguur,
En fijne vervolmaaktheid grof besmeurd,
En sterkte invalide door corrupt bestuur,
En kundigheid gemuilkorfd door gezag,
En zotheid kennis nemende de maat,
En waarheids eenvoud als ‘naïef’veracht,
En slaaf Goed luisterend naar meester Kwaad:
   Dit alles moe, ging ’k van dit al graag heen,
   Ware ’t niet: in ’t graf laat ik mijn lief alleen.



Shakespeare, Sonnet 18



Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimmed,
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course untrimmed:
But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow'st,
Nor shall death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st,
   So long as men can breathe, or eyes can see,
   So long lives this, and this gives life to thee.


Zal ’k u vergelijken met een zomerdag?
Gij zijt nog milder en meer puur:
Zie wat de wind met Meibloesems vermag,
En al te kort is ’s zomers pacht van duur.
Somtijds ook schijnt des hemels oog te fel,
En vaak vervaagt zijn gulden tint;
En ieder schoon vervalt van schoon soms wel,
Door grillen die in de natuur men vindt.
Uw eeuw’ge zomer zal blijven bestaan,
’t Bezit verliezen niet van ’t schoon u eigen;
Gij zult door geen vallei des Doods heengaan,
In eeuwig vers de tijden overstijgen.
  Zolang als ogen zien en mensen denken;
  Zolang leeft dit, dat leven u zal schenken

dinsdag 25 februari 2014

Shakespeare, Vrees niet meer de hitt' der zon



FEAR NO MORE THE HEAT O’THE SUN

Fear no more the heat o' the sun;
  Nor the furious winter's rages,
Thou thy worldly task hast done,
  Home art gone, and ta'en thy wages;
Golden lads and girls all must,
 As chimney sweepers come to dust.

Fear no more the frown of the great,
  Thou art past the tyrant's stroke:
Care no more to clothe and eat;
  To thee the reed is as the oak:
The sceptre, learning, physic, must
 All follow this, and come to dust.

Fear no more the lightning-flash,
  Nor the all-dread thunder-stone;
Fear not slander, censure rash;
  Thou hast finished joy and moan;
All lovers young, all lovers must
Consign to thee, and come to dust.

[ No exorciser harm thee!
  Nor no witchcraft charm thee!
Ghost unlaid forbear thee!
  Nothing ill come near thee!
Quiet consummation have;
And renowned be thy grave!]


VREES NIET MEER DE HITT’ DER ZON

Vrees niet meer de hitt’ der zon,
Sneeuw noch storm hoeft ge meer schuwen,
Ge hebt volbracht wat g’ hier begon,
Huiswaarts ging, het loon het uwe;
Gouden jeugd en schoonheid keert,
Als schoorsteenvegers, tot stof weer.

Vrees niet meer de frons des vorst’,
 Niet meer horig aan diens rijk.
Naaktheid ducht voortaan noch dorst,
 Voor u het riet is als de eik.
De kroon, heelkunst, wat werd geleerd,
 ’t Al keert, als gij, tot stof eens weer.

Vrees niet meer de bliksemschicht,
 Noch de schrikwekkende donder,
Vrees geen laster, oordeel licht;
 Kennend vreugde en smart, wees zonder,
Al wie bemind wordt nú nog teer,
 Eerlang als gij tot stof keert weer.

[Geen duiveluitdrijver store u!
 Of geesten onbezworen u!
Dat geen magie doe schade u!
 Verwijd’re zich het kwaad van u!
Maar dat ge in alle rust verteer’,
 En dat uw graf worde geëerd.]


William Shakespeare (Cymbeline, Act IV, Scene 2)

(In het toneelstuk richten twee jongemannen dit gedicht aan een gestorven meisje.)

Hölderlin, Aan de Parcen

An die Parzen

Nur Einen Sommer gönnt, ihr Gewaltigen!
   Und einen Herbst zu reifem Gesange mir,
      Daß williger mein Herz, vom süßen
         Spiele gesättiget, dann mir sterbe.

Die Seele, der im Leben ihr göttlich Recht
   Nicht ward, sie ruht auch drunten im Orkus nicht;
      Doch ist mir einst das Heil’ge, das am
         Herzen mir liegt, das Gedicht gelungen,

Willkommen dann, o Stille der Schattenwelt!
   Zufrieden bin ich, wenn auch mein Saitenspiel
       Mich nicht hinab geleitet; Einmal
         Lebt ich, wie Götter, und mehr bedarfs nicht.



Aan de Parcen

Nog slechts één zomer gunt, gij geweldigen,
    En één herfst meer tot rijp een gezang nog mij,
       Dat williger van hart, van 't zoete
           Spelen verzadigd dan, ik zal sterven.

De ziel toch die in 't leven haar god'lijk recht
    Niet werd gedaan ook rust in de Orcus niet;
        Is echter eens het heil'ge, wat ter
           Harte gaat, het gedicht gelukt mij

Wees welkom dan, o stilte van 't schimmenrijk,
     Tevreden ben ik, ook als mijn snarenspel
         Mij niet omlaag zal leiden, eenmaal
             Leefd' ik als goden, en dat volstaat ons. 

Bachmann, Aan de zon



An die Sonne

Schöner als der beachtliche Mond und sein geadeltes Licht,
Schöner als die Sterne, die berühmten Orden der Nacht,
Viel schöner als der feurige Auftritt eines Kometen
Und zu weit Schönrem berufen als jedes andere Gestirn,
Weil dein und mein Leben jeden Tag an ihr hängt, ist die Sonne.

Schöne Sonne, die aufgeht, ihr Werk nicht vergessen hat
Und beendet, am schönsten im Sommer, wenn ein Tag
An den Küsten verdampft und ohne Kraft gespiegelt die Segel
Über dein Aug ziehn, bis du müde wirst und das letzte verkürzt.

Ohne die Sonne nimmt auch die Kunst wieder den Schleier,
Du erscheinst mir nicht mehr, und die See und der Sand,
Von Schatten gepeitscht, fliehen unter mein Lid.

Schönes Licht, das uns warm hält, bewahrt und wunderbar sorgt,
Dass ich wieder sehe und dass ich dich wiederseh!

Nichts Schönres unter der Sonne als unter der Sonne zu sein...

Nichts Schönres als den Stab im Wasser zu sehn und den Vogel oben,
Der seinen Flug überlegt, und unten die Fische im Schwarm,
Gefärbt, geformt, in die Welt gekommen mit einer Sendung von Licht,
Und den Umkreis zu sehn, das Geviert eines Felds, das Tausendeck meines Lands
Und das Kleid, das du angetan hast. Und dein Kleid, glockig und blau!

Schönes Blau, in dem die Pfauen spazieren und sich verneigen,
Blau der Fernen, der Zonen des Glücks mit den Wettern für mein Gefühl,
Blauer Zufall am Horizont! Und meine begeisterten Augen
Weiten sich wieder und blinken und brennen sich wund.

Schöne Sonne, der vom Staub noch die größte Bewundrung gebührt,
Darum werde ich nicht wegen dem Mond und den Sternen und nicht,
Weil die Nacht mit Kometen prahlt und in mir einen Narren sucht,
Sondern deinetwegen und bald endlos und wie um nichts sonst
Klage führen über den unabwendbaren Verlust meiner Augen.

Ingeborg Bachmann, 1956




AAN DE ZON


Schoner dan de achtenswaardige maan en zijn geadelde licht,
Schoner dan de sterren, de beroemde orden der nacht,
Veel schoner dan het vurige optreden van een komeet
En tot veel schoner taak geroepen dan elk ander gesternte,
Daar jouw en mijn leven elke dag aan haar hangt, is de zon.

Schone zon, die opgaat, haar werk niet vergeten heeft
En volbrengt, het fraaist in de zomer, wanneer een dag
Aan de kusten verdampt en zonder kracht gespiegeld de zeilen
Over je oog trekken, tot je moe wordt en het laatste verkort.

Zonder de zon neemt ook de kunst weer de sluier,
Jij verschijnt mij niet meer, en de zee en het zand,
Gegeseld door schaduw, vluchten onder mijn lid.

Schoon licht, dat ons warm houdt, bewaart en er prachtig voor zorgt
Dat ik weer zie en ik jou weerzie!

Niets schoners onder de zon dan onder de zon te zijn…

Niets schoners dan de paal in het water te zien en de vogel boven,
Die zijn vlucht overweegt, en onder de vissen in scholen,
Kleurrijk, vol vorm, in de wereld gekomen met een zending licht,
En de omgeving te zien, het vierkant van een veld, de duizendhoek van mijn land
En de jurk, die je aangedaan hebt. En je jurk, klokachtig en blauw!

Schoon blauw, waarin de pauwen wandelen en minzaam nijgen,
Blauw van de verten, van de zone's van het geluk met de weersgesteldheden voor mijn gevoel,
Blauw toeval aan de horizon! En mijn verrukte ogen
Verwijden zich weer en blinken en branden zich stuk.

Schone zon, die nog van het stof de grootste bewondering toekomt,
Daarom zal ik niet om de maan of om de sterren en niet
Omdat de nacht met kometen pronkt en in mij een dwaas zoekt,
Maar jouwentwille en weldra zonder einde en als om niets anders
Klagen over het onafwendbare verlies van mijn ogen.




Hölderlin, Mensenbijval



Menschenbeifall
 
Ist nicht heilig mein Herz, schöneren Lebens voll,
   Seit ich liebe? Warum achtetet ihr mich mehr,
      Da ich stolzer und wilder,
         Wortereicher und leerer war?

Ach! Der Menge gefällt, was auf dem Marktplatz taugt,
    Und es ehret der Knecht nur den Gewaltsamen;
        An das Göttliche glauben
           Die allein, die es selber sind.






Mensenbijval

Is niet heilig mijn hart, vol van een schoon bestaan,
   Sinds ik liefheb? Waarom achtte ge hoger mij,
       Toen ik trotser en wilder,
           Rijker aan woorden en leger was?

Ach, de massa bevalt, wat op het marktplein deugt,
   En de knecht respecteert slechts de geweldpleger;
       Aan iets goddelijks geloven
            Zij alleen, die het zelve zijn.


Friedrich Hölderlin